‘Wanderings..’

E | NL

'Visitor, invite me' Karin van Pinxteren

The wanderings of a grain of sand

by Manon Berendse

Oval panels that block one’s view (but not really) the tinkling sound of a waltz as an invitation to walk around a wooden pavilion, a thick red carpet or a path of silvery white beans: Karin van Pinxteren builds her world around ours. She establishes contact.

Originally, appearing in her performances as an impeccable hostess, she would personally welcome her visitors. That contact later came with commanding one-liners that she projected onto a wall, stamped on hands or applied to angular light boxes. Her titles are anything but hesitant. Guide me. Share your warmth with me. They urge us kindly. Give me your order. Reflect with me. With such purified sentences, Van Pinxteren opts for dialogue. Though there is no actual encounter, we sense hospitality.

Not often does an artist deal so directly with what can be said and what remains unsaid: with that which distinguishes artists from their audience, which makes the concerns of the creator differ from those of the viewer, and the self differ from the other. Van Pinxteren attempts to intervene without involving herself. She is absent, yet not invisible.

In her works from recent years, she registers her fascinations more and more in three dimensions. Not only a typographical text on a support, but also the floor and surrounding walls become part of her installations. She develops spaces into ‘existential interiors’ and directs our gaze to a single painting or photograph. In austerely painted or spotlit strips, she overturns the familiar image of a space into a place to be conquered anew. The surroundings can be seen as a stage, acquiring meaning once someone appears on it. Our presence is especially wanted in works such as Waltz with me and Nach dem Blick, where seeing makes us participants. Our bodies proceed cautiously; the eyes take it all in, and the thoughts just come. Where are they—in the midst of our uncertainties, observations, generalities or judgments? And what is needed to allow those thoughts to circle about freely and not settle until later?

Van Pinxteren places her worlds on the pages of this compact book and occasionally provides them with a sentence. This is done in a modest yet fearless way. During the preparations, she happened to mention the pearls that play a role in older and more recent work: worn by a hostess, hidden in that heap of white beans, photographed on the wet sand of Zeeland, personally offered as a means to reflect and, for centuries, accompanying the highest protocol—when dealt with by a woman.

Approach and seclusion: those are the two poles between which Van Pinxteren likes to operate. She prefers to allow things to speak for themselves and has great faith in those whom she invites into her interiors. Like a grain of sand, swept into an oyster: her work begins and ends with an exploration of the unfamiliar.

Manon Berendse, text from ‘Visitor, invite me’, 2009 | translation Beth O’Brien

_________

 

De omzwervingen van een korreltje zand

Ovalen luiken die je het zicht benemen, maar niet definitief. Een tinkelend walsmuziekje dat je uitnodigt tot lopen rondom een houten paviljoen. Een loper van rood pluche of een pad van talloze zilverwitte boontjes – Karin van Pinxteren bouwt haar wereld om de onze heen. Ze maakt contact. Oorspronkelijk als onberispelijke gastvrouw in performances waarin ze haar bezoekers persoonlijk welkom heette. Vervolgens met gebiedende oneliners die ze projecteerde op de muur, stempelde op handen of aanbracht op hoekige lichtbakken. Haar titels dralen niet. Guide me. Share your warmth with me. Maar dringen vriendelijk aan. Give me your order. Reflect with me. Met deze uitgepuurde zinnen verkiest Van Pinxteren de dialoog. Zonder feitelijke ontmoeting, maar gastvrij.

Niet vaak plaatst een kunstenaar zich zo direct tussen het zegbare en verzwegene. Tussen wat kunstenaars onderscheidt van hun publiek, tussen de vragen van schepper en beschouwer. Tussen het ik en de ander. Van Pinxteren poogt tussenbeide te komen zonder haar persoon naar voren te schuiven. Ze is afwezig, maar niet onzichtbaar.

In de werken die ze de laatste jaren maakt, noteert ze haar fascinaties steeds vaker in  drie dimensies. Niet alleen een typografische tekst op een drager, maar ook de vloer en de omringende wanden betrekt ze in haar installaties. Ze bouwt ruimtes om tot ‘existentiële interieurs’ en stuurt onze blik naar een enkel schilderij of een foto. In strak geschilderde of uitgelichte banen kantelt ze het vertrouwde beeld van een ruimte tot een opnieuw te veroveren plek. De omgeving als podium, die pas betekenis krijgt als het wordt betreden. Onze aanwezigheid is wenselijker dan ooit in werken als Waltz with me en Nach dem Blick, want zien maakt je tot deelgenoot. Ons lichaam verplaatst zich behoedzaam, ogen registreren, gedachten vormen zich als vanzelf. Waar verschansen ze zich – te midden van onze onzekerheden, getuigenissen, algemeenheden of oordelen? En wat is ervoor nodig om die gedachten vrijelijk rond te laten cirkelen en pas later neer te laten strijken?

Van Pinxteren plaatst haar werelden op de bladzijden van dit compacte boekje en voegt er soms een enkele zin aan toe. Bescheiden, maar zonder schroom. Tijdens de voorbereidingen vertelde ze terloops over de parels die een rol spelen in ouder en nieuwer werk. Gedragen als gastvrouw, verstopt in die berg witte boontjes,  gefotografeerd op het natte zand van het Zeeuwse Zuiderstrand en persoonlijk aangeboden als middel tot reflectie en toch al eeuwen de hoogste protocollen vergezellend, als deze tenminste afgehandeld worden door een vrouw.

Toenadering en beslotenheid – dat zijn de polen waartussen Van Pinxteren zich graag beweegt. Ze laat de dingen graag voor zich spreken en heeft groot vertrouwen in degenen die ze uitnodigt in haar interieurs. Als een korreltje zand dat een oester is binnengespoeld, begint en eindigt haar werk met het verkennen van het wezensvreemde.

Manon Berendse, tekst uit ‘Visitor, invite me’, 2009