Miracle chamber with flickering light

E/NL

by Lucette ter Borg

la-chambre-de-catherine-overview-karin-van-pinxteren-20161

Wheel of life, zoetrope, ‘wondertrommel’ – these words spring to mind upon viewing the work of artist Karin van Pinxteren. The inventor of the zoetrope was Joseph Plateau – but not so much his invention was enchanting, as the effect of it. In 1833 Plateau, a Belgian physicist and mathematician, after years of experimentation with light fragmentation and research into the phenomenon of ‘afterimages’, designed a cylinder with a painted interior and holes in the side. If you spun the cylinder whilst peering through the slits, a small miracle occurred: horses began to move, ballerinas turned pirouettes. Non of those who got their hands on such a drum, could or can resist the temptation of those moving images in Plateau’s zoetrope.

The same goes for La Chambre de Cathérine, a gigantic, seductive ‘wondertrommel’, set up at the Noletloodsen by Van Pinxteren (1967). Twelve bright green painted panels form a dodecagonal room. Each panel has an elliptic opening through which one can, and instantly wants to, peep inside. There, an image is projected onto the fire engine red walls. A woman with a valise enters and leaves a room. But where is she going – to yet another room? What does she see? And what do you?

You can only look, you can’t step into the zoetrope. That, Van Pinxteren – initially trained in architectural and graphic design but successfully active for years as an autonomous performance and installation artist – is clear about. Just as her previous installation Kurt’s Zimmer (2006), which had a similar structure to La Chambre de Cathérine, this new work forms a physically bordered universe. The ellipses serve as spy holes, but their shape is also suggestive of portrait frames reflecting an images themselves. This gives rise to the suggestion of threedimensionality of forms that are in fact flat.

The work of Van Pinxteren always bears such ambiguity. Drawings, objects of wood and cardboard (with words that detach themselves from the primary form like rays of light), photos, videos, socles and spatial installations like La Chambre de Cathérine are about making contact, but just as much about avoiding contact, about seeing and seeing through, secrecy, distance and proximity – as much in form as in subject. That subject is often very literary – a trip to the Pyrenees undertaken by the later prosecuted German writer Kurt Tucholsky in 1927, a youth memory, a personal experience. ‘I’m not so extraverted,’says the artist herself. ‘There’s much I daren’t’ do. I wouldn’t dare ask someone a bold question, for example; or another thing: I’ve always been afraid of opening doors.’

That tension between abstractions and figuration, between form and fable, is beautifully evoked by Van Pinxteren in her latest installation at the Noletloodsen. In La Chambre de Cathérine, she sublimates early memories of a camping holiday with her parents and that which is hidden from the outside world in a short story and in this abstract miracle chamber. There was once a father, who liked to look with his hands, an abandoned house with a wooden leg hidden under the stairs, a stolen cassette of French chansonnier Michel Sardou. Now there is a woman with a valise. A name, Cathérine Sardou, and a story about a man, Ambroise Sardou. In Van Pinxteren’s miracle chamber, all of those elements combine. But not explicitly or demonstratively.

La Chambre de Cathérine introduces in abstracto what it’s like when life is full of secrets. We can sense those secrets, we can ponder them, we can sometimes taste, nearly touch them. A woman enters a room, through a corridor. A light flashes on and off. The lamp sharpens our senses. If only we could be there, inside, amidst that thrilling red. There, we could find out everything, surely. ‘There’ is so very different from here, with an ellipse as the sole gateway.

Karin van Pinxteren: La Chambre de Cathérine (2016) – installation with projection and story ‘The lower leg of Ambroise Sardou’. 

Walking guide Snapshot of a larger order, De Ketelfactory, Schiedam

 

Wondertrommel met knipperlicht

door Lucette ter Borg

Levensrad, zoöscoop, wondertrommel – deze woorden dringen zich op als je het werk van beeldend kunstenaar Karin van Pinxteren bekijkt. De uitvinder van de wondertrommel was Joseph Plateau – maar niet zozeer zijn uitvinding was betoverend, als wel het effect ervan. Plateau, een Belgische natuurkundige en wiskundige, ontwierp in 1833 na jaren van experimenteren met lichtbreking en onderzoek naar het fenomeen ‘nabeelden’ een aan de binnenkant beschilderde trommel met langwerpige kijkgaten aan de zijkant. Liet je de trommel draaien en keek je door de sleuven, dan voltrok zich in het binnenste een klein wonder: paarden kwamen in beweging, danseressen draaiden pirouettes. Niemand die zo’n trommel in handen kreeg, kon en kan de verleiding weerstaan van die bewegende beeldjes in Plateau’s zoöscoop.

Hetzelfde geldt voor La Chambre de Cathérine, een reusachtige, verleidelijke ‘wondertrommel’ die Van Pinxteren (1967) in de Noletloodsen heeft opgesteld. Twaalf felgroen geschilderde houten panelen vormen een twaalfhoekige kamer. Ieder paneel heeft een ellipsvormige opening waardoorheen je naar binnen kunt en onmiddellijk wilt kijken. Binnen draait op de brandweerautorode muren een projectie. Een vrouw met een valise loopt in en uit een kamer. Maar waar bevindt ze zich eigenlijk – in nog een andere kamer? Wat ziet zij? En wat zie jij?

Je mag alleen kijken, de wondertrommel instappen kan niet. Daar is Van Pinxteren – aanvankelijk opgeleid als architectonisch en grafisch vormgever maar al jaren met succes actief als autonoom performance- en installatiekunstenaar – helder over. Net als in haar vorige installatie Kurt’s Zimmer (2006), dat een zelfde structuur had als La Chambre de Cathérine, vormt dit nieuwe werk een fysiek afgesloten universum. De ellipsen dienen als kijkgaten, maar met hun vorm doen ze ook denken aan portretlijsten die zélf een beeld terugkaatsen. Zo ontstaat er een ruimtelijke suggestie van vormen die in wezen plat zijn.

Het werk van Van Pinxteren draagt altijd die dubbelzinnigheid in zich. Tekeningen, objecten van hout en karton (met woorden die zich als stralen van de oervorm losmaken), foto’s, films, sokkels en ruimtelijke installaties als La Chambre de Cathérine gaan over contact maken, maar even goed over het afhouden van contact, over zien en door-zien, heimelijkheid, afstand en nabijheid – zowel in vorm als in onderwerp. Dat onderwerp is vaak heel literair – een reis naar de Pyreneeën die de later vervolgde Duitse schrijver Kurt Tucholsky in 1927 ondernam, een jeugdherinnering, een ervaring. ‘Ik ben niet zo extravert,’ zegt de kunstenaar zelf. ‘Ik durf heel veel dingen niet. Ik durf bijvoorbeeld geen onbeschofte vragen aan mensen te stellen, of nog zoiets: deuren openen heb ik altijd eng gevonden.’

Die spanning tussen abstractie en figuratie, tussen vorm en vertelling roept Van Pinxteren mooi op in haar nieuwste installatie in de Noletloodsen. In La Chambre de Cathérine sublimeert ze herinneringen aan een kampeervakantie met haar ouders vroeger en aan datgene wat voor de buitenwereld verborgen wordt gehouden in een kort verhaal en in deze abstracte wonderkamer. Er was een vader die graag keek met zijn handen, een verlaten huis met een onder een trap verborgen houten been, een uit een auto gejat cassettebandje van de Franse chansonnier Michel Sardou. Nu is er een vrouw met een valise. Een naam, Cathérine Sardou, en een verhaal over een man, Ambroise Sardou. In Van Pinxterens wonderkamer komen al die elementen uit heden en verleden samen. Maar niet expliciet of uitleggerig.

La Chambre de Cathérine brengt in abstracto naar voren hoe het gaat als een verleden vol is van geheimen. We kunnen die geheimen voelen, we kunnen aan ze denken, we kunnen ze soms proeven, bijna aanraken. Een vrouw loopt een kamer binnen, een gang door. Een knipperlicht gaat aan en uit. De lamp zet onze zinnen op scherp. Konden we maar dáár zijn, binnen, in dat zinderende rood. Daar zouden we alles te weten kunnen komen, vast wel. Daar is het zo anders dan hierbuiten, met alleen een ellips als toegangspoort.

Karin van Pinxteren: La Chambre de Cathérine (2016) – installatie met projectie en verhaal ‘Het onderbeen van Ambroise Sardou’ (zie volgende tekst).

Wandelgids Snapshot of a larger order, De Ketelfactory, Schiedam

 

Het onderbeen van Ambroise Sardou

Cathérine wrijft in haar ogen, bekijkt het witte beddengoed en neemt de rand tussen haar duim en wijsvinger. Zonder kracht te zetten plukt ze aan het plooisel, Ambroise had het mooi gevonden. Ze had graag naar hem gekeken als hij lag te slapen in het frisse wit en sloot haar ogen om het beeld terug te halen. Zo bleef ze even liggen, opende haar ogen weer en streelde zijn onderbeen. Al jaren nam ze het mee naar bed, vertrouwd glansde het haar in de ochtend tegemoet. Niemand weet het, niemand kan het zien, ze zouden haar voor gek verklaren dacht ze vaak.

Ambroise had van zijn kunstbeen gehouden, het had hem heel gemaakt na dat stomme ongeluk. Zijn onderbeen was verbrijzeld, hij was kreupel voor het leven. Nooit was hij zich gewaar geweest van de bijzonderheid van zijn ledematen. Linkerbeen, rechterbeen, vanzelfsprekend wisselden ze elkaar af. Hij had nog maar een voet, vijf teennagels, een hiel en hij kon niets meer. Zijn zo vertrouwde van kinds af aan opgebouwde balans was weg. Hij viel steeds naar links, gleed onderuit als een boek met een slappe kaft. Ze voelde dat hij zich voor haar schaamde, maar het had haar niet uitgemaakt. Ze was veel te blij dat Ambroise het er levend had afgebracht en stelde zich voor dat het andersom was, een-tiende van haar lichaam weg, een vreselijke gedachte, het zelfvertrouwen kon daar niet ongeschonden uitkomen.

Het onderbeen deed zijn intrede na het gestuntel met de onhandige krukken. Ambroise groeide weer aan, heelde en had zelfs lol in zijn verlengstuk. ‘Ik ben geënt!’, riep hij een keer. Zonder schoen zette hij zijn rechterbeen extra hard neer om het geluid te versterken. Hij bleek nog best ritmisch en noemde zijn been ‘Pirate’. Zijn voetstappen herkende ze sterker dan voor het ongeluk, twee klanken in een persoon. Een typische bijkomstigheid was dat de zool van zijn linkerschoen sneller sleet dan die van zijn rechterschoen, het maakte visueel dat hij meer op zijn linker- dan op zijn rechterhelft leefde. Iedere ochtend, na zich te hebben gewassen, bevestigde hij zittend op bed zijn onderbeen, stak het recht vooruit en riep ‘A l’abordage!’

Na zijn dood had ze het niet weg kunnen doen, dagen had ze er over gepiekerd. Ambroise met kunstbeen begraven was een vreemd idee, zes voet onder de grond met een been dat niet vergaat, er zou een omgekeerde amputatie plaatsvinden. Hier ligt Ambroise Sardou of in ieder geval nog zijn onderbeen zou het opschrift dan moeten luiden.

Ondanks haar misère moest ze lachen, maar begraven is een ernstige zaak. Er had zich van alles rondom dat been afgespeeld, het had hem gedragen, met trots vervuld, geheeld, het had hem weer in balans gebracht. Het had hen beiden na het ongeluk een ander soort vreugde bezorgd.

Pirate bleef bovengronds had ze besloten, het was iets tussen haar en Ambroise. Ze wilde niet dat iemand zich ermee zou bemoeien of er een mening over zou hebben en vertelde tegen familie, vrienden en buren – allen vroegen ernaar – dat ze het been had weggedaan.

De weken na de begrafenis ontwaakte ze naast het onbeslapen witte hoofdkussen, een blik op een leeg boek, alsof de plek geen geschiedenis had. In een opwelling voor het slapen gaan had ze Pirate uit de kast genomen en op het kussen van Ambroise gelegd, gewichtig zonk het in de veren, gelijkmatig tekende het kussen de zwaartekracht af, zo hoorde een kussen zich te tonen. Ze vond het een belachelijke daad maar het voelde vreemd genoeg goed, een tegenstrijdigheid waar ze uiteindelijk in berustte. Het absurde zat in het beeld niet in het idee. Het was een beeld uit een stomme film; een vrouw slapend naast een onderbeen in een tweepersoonsbed. Fou! Maar als niemand het zag… Ze moest natuurlijk niet sterven in haar slaap, ze zouden haar vinden naast het been… Uiteindelijk ontdeed ze zich van haar dilemma, ze was er dan toch niet meer, en dat het been zelfs een naam had was zorgvuldig binnenskamers gebleven. Nu nog een plekje om het overdag op te bergen, voor altijd uit het zicht van bezoekers. In een moment van onachtzaamheid kon het toch worden ontdekt.

Er was weinig daglicht in de hal. Ze kwam binnen, sloot de voordeur en liep wat slordig de gang in waarbij haar tas van haar schouder slingerde en de zak met mandarijnen uit haar handen viel. Eentje rolde onder de trap tussen de houten poten van de kapstok om met een dof geluid tot stilstand te komen. Ze greep op haar knieën in de bijna duisternis naar de vrucht en stootte met haar hand tegen een houten wandje. Ambroise had het lang geleden eens afgetimmerd zodat het vuil er niet meer kon komen. Ze was het vergeten, het schoot haar te binnen dat ze had geklaagd over de ongemakkelijke loze ruimte waar ze maar net met de stofzuiger bij kon. Achter het wandje bevond zich een holte van vier treden hoog, perfect. Ze moest het plaatje los zien te krijgen, daar paste Pirate met gemak.

Ze kijkt op de wekker, het magische uur is voorbij. Cathérine staat op, neemt Pirate van het kussen en danst een rondje. ‘Ambroise’, zegt ze, ‘niemand ziet het’.

Karin van Pinxteren, 1 augustus 2014